dinsdag 28 november 2017

Notities #294-296

294) Sterk aan Joost Baars' Binnenplaats is de symbiose tussen het filosofische en het (hyper)persoonlijke. Het abstracte en het concrete. Dat is knap, omdat het abstracte de neiging heeft zo alomvattend te worden, en het concrete zo onbenullig, dat het niets te zeggen heeft.

295) In haar verdere bijzonderheden hanteert Rozalie Hirs de opsomming als stijlfiguur: 'neem dan een latte op weg, een sapje, biertje, spa'. In mijn recensie over de bundel schreef ik dat dat een 'wonderlijk soort precisie' oplevert. Ik vermoed dat dat de 'precisie' van de gelijktijdigheid is. Een alomvattende concreetheid.

296) John Caputo maakt een onderscheid tussen het 'voorwaardelijke' en het 'onvoorwaardelijke', waarbij het 'voorwaardelijke' staat voor de praktische realiteit van alledag: je doet het een omdat je het ander wil bereiken (hij geeft als voorbeeld het poetsen van de tanden om gaatjes te voorkomen). Het 'onvoorwaardelijke' staat voor hetgeen waar we van genieten om wat het is (een roos, bijvoorbeeld). Het is juist de tijdelijkheid van dit 'onvoorwaardelijke' (en volgens mij ook de zeldzaamheid t.o.v. het 'voorwaardelijke') die het haar kleur, haar intensiteit verleent.

zaterdag 25 november 2017

Notities #292-293


292) Ondanks alle moeite die Gabriel Ferrier zich lijkt te hebben getroost om de gruwelijke scène van een vrouw op een brandstapel te schilderen (het gezicht van de veroordeelde vrouw moet doodsangst uitdrukken), is zijn Scènes de l'inquisition en Espagne (1879) niet primair gewelddadig. Als Ferrier echt een scène van de Spaande Inquisitie had willen schilderen, had hij de vrouw niet met ontbloot bovenlijf afgebeeld. Haar houding is niet die van iemand die is verwikkeld in een doodsstrijd, eerder bevallig, en haar lichaam licht op tussen de mannen in het donker.

Seksualiteit en dood vallen kortom in dit schilderij samen - als het gegeven dat de vrouw gedood gaat worden niet eenvoudigweg een excuus is om haar naaktheid te tonen. Mogelijk ook wordt de vrouw als (heilige?) martelaar afgebeeld. In ieder geval wordt zij (haar seksualiteit) verheerlijkt - en kan ze alleen worden verheerlijkt omdat ze wordt verbrand.



293) Wat is nu de magie van dit beeld, Tanagra (1890) van Jean-Léon Gérôme? Het kleine beeldje in de linkerhand van de vrouw is een tanagra-beeldje, daarmee wordt een combinatie gemaakt van de kleurtechniek uit de Griekse oudheid en die van het in het Frankrijk van de 19de eeuw gebruikelijke witte marmer. Dat is een leuk weetje, maar het zegt niets over het beeld: de gesloten blik van de vrouwfiguur en het surrealistische gegeven dat ze een kleine, geklede vrouwfiguur in haar hand houdt. Het heeft iets van een matroesjka: het ene lichaam komt uit het andere voort.

zondag 19 november 2017

Citaat 19 november 2017

Lyotard [lijkt] er tenminste twee versies van het sublieme op na te houden: een waarbij de terugkeer optreedt in de vorm van een roep van een Idee en een waarbij het zelfgevoel dat het denken ondergaat in een aanraking door de materie als onrustig gevoel opwelt.

- Ike Kamphof.
In: De passie van de aanraking. Over de esthetica van Jean-Francois Lyotard (Damon, 2000).

woensdag 8 november 2017

Notitie #291

Het perspectief in 'You all loved him once' van Conor Oberst is vreemd. Het liedje beschrijft hoe het publiek zich tegen haar eigen helden kan keren, verwant aan de zondeboktheorie. Doordat een 'you' wordt aangesproken, behoort de spreker zelf niet tot het publiek. Het is dus geen analyse, maar een aanklacht.

Vrij algemeen wordt dit liedje geïnterpreteerd in het licht van een (naar later bleek) onterechte aanklacht (van verkrachting) tegen Oberst zelf, waardoor een deel van zijn eigen publiek zich tegen hem keerde. Als dat klopt, zingt hij dus eigenlijk ook: you all loved ME once.

In beide gevallen is het liedje onuitstaanbaar: in het eerste vanwege het opgeheven vingertje, in het tweede vanwege de verongelijktheid waarmee Oberst zich de slachtofferrol aanmeet. Maar het is niet onuitstaanbaar, zelfs ontroerend. Ik vermoed dat dat komt doordat geen van beide interpretaties wordt bevestigd of uitgesloten. Omdat beide interpretaties geldig zijn, heffen ze elkaar op.

maandag 16 oktober 2017

Notitie #290

Behalve vanwege de leuke opzet, is de 'Paul is dood'-documentaire Who is this now ook geslaagd omdat de maker nieuwe aanwijzingen [voor de mythe dat Paul McCartney in 1966 zou zijn gestorven en dat zijn plaats in de Beatles door een plaatsvervanger werd ingenomen] naar boven haalt. Het mooie is dat die aanwijzingen er zijn (ze zijn duidelijk aanwijsbaar in de teksten en de platenhoezen). En tegelijk zijn ze er niet (de Beatles hebben ze waarschijnlijk nooit bedoeld als aanwijzingen). In die zin verdiept elke aanwijzing de schoonheid van de mythe. Het is opvallend hoe het werk strookt met allerhande filosofische en religieuze theorieën. Of Paul nu dood is of niet, dat is een kwestie van geloof.

De documentairemaker wijst op interviewfragmenten waarin McCartney benadrukt: 'I'm not him'. Hij bedoelde daarmee een scheiding aan te brengen tussen zichzelf en de beroemdheid, maar in de context van de mythe is het natuurlijk mooi, ook omdat hij in zijn woordkeuze vrij precies aansluit bij de mythe ('It would blow your head off'). Het is trouwens ook in lijn met zijn oeuvre: McCartney schrijft zelden vanuit zichzelf, hij spreekt doorgaans vanuit anderen. De vraag die in de titel wordt verwoord, is dus gerechtvaardigd: wie is Paul McCartney eigenlijk?

J. moedigt me (terecht) aan 'naakter' te schrijven. De vraag daarbij is: van wie is de stem in mijn poëzie? In de docu wordt verwezen naar een fictieve autobiografie van de plaatsvervanger van Paul McCartney, door Thomas E. Uharriet: The Memoirs of Billy Shears. Er staat een opdracht aan Paul McCartney in, die zou zijn vertrokken naar de onderwereld om vervolgens bezit te nemen van Billy Shears. Dat is wat 'naakter' schrijven voor mij inhoudt: te spreken met de stem van de afwezige die de aanwezige opheft.

zondag 10 september 2017

Notitie #289

Kunstenaar Hama Heikens kondigt aan te stoppen met het maken van kunst vanwege de 'vertrutting' van de kunstwereld. Doordat haar werk veelal zonder verdere argumentatie wordt afgekeurd, enkel omdat het 'controversieel' is, komt er geen dialoog tot stand. Daarom is er volgens haar geen ruimte voor haar werk. Haar analyse is (helaas) juist, maar haar conclusie is merkwaardig. Ze zoekt, zegt ze, die ruimte elders, namelijk in de marge (ze gaat 'Art Toys' maken). Maar de marge is juist waar ze zich al in bevond, en dat is de plek van waaruit controversieel werk opereert. Controversieel werk is per definitie niet mainstream.

'[Kunst] is een esthetische discipline, geen ethische', schrijft ze verder. Dat is op zichzelf wel waar, maar ook Heikens weet dat (goede) kunst een maatschappelijk, en dus ook ethisch effect heeft. Anders was een dialoog niet nodig geweest. Anders had ze het werk niet hoeven maken. Heikens ziet die waarde kennelijk wel, maar gelooft er niet voldoende in. Uit financieel oogpunt valt haar besluit wel te begrijpen; uit artistiek oogpunt niet.

woensdag 23 augustus 2017

Notities #287-288

287) Op Facebook las ik vandaag een citaat van Gerrit Kouwenaar uit 1964:

Wat ik met mijn poëzie wil, is eigenlijk gewoon stof maken. Gewoon stof maken is voor mij voldoende. [...] Ik wil [...] een woord terugbrengen tot zijn stoffelijkheid. Ik wil vandaan komen onder de abstraktie, dus de afstand tussen taal en werkelijkheid zo miniem mogelijk maken, en waar ze elkaar bijna raken, waar ze elkaar ruiken, besnuffelen, begint dan de poëzie. Het gedicht als een ding.’

In de comments daaronder stelt Alexis de Roode: 'Het gedicht is geen ding, het leeft'. Dat is bijna letterlijk mijn eigen eerste reactie, maar het klopt natuurlijk niet: als je een gedicht op tafel legt, wandelt het niet uit zichzelf weg. Een schilderij is een 'ding', een object, maar het is méér dan dat. Zo is ook een gedicht vanzelfsprekend méér dan inkt op een pagina, méér dan taal, de beelden die het oproept, de muziek die het maakt, de sensatie die het oproept - kortom, méér dan het 'ding' dat het is. Dat 'méér' kun je wel 'leven' noemen. Het heeft daar in ieder geval heel erg mee te maken.

Volgens mij wil Kouwenaar niets anders zeggen dan dat hij iets wil maken dat niet primair 'gedicht', maar een concrete werkelijkheid is. Maar dan verwoordt hij het wel onhandig. Zit onder de schijnbaar onzorgvuldige woordkeuze niet nog iets anders? Als hij zegt dat hij 'stof' wil maken, een 'ding', zegt hij toch letterlijk dat hij iets wil maken dat niet leeft? Dat hij vervolgens zegt dat hij die 'stoffelijkheid' zo concreet mogelijk wil realiseren, en daar (ten onrechte, wat mij betreft) een tegenstelling met het abstracte in veronderstelt, betekent dat hij welbewust het gedicht als een 'ding' beschouwt, stof, iets dat niet leeft.

Of bedoelt hij dat het gedicht het medium is via welke het 'ding' wordt gerealiseerd? Dan zou het gedicht zelf dus juist géén ding zijn.

288) Ook Hans Groenewegen wil (in blijven & verreizen, dat ik nu eindelijk aandachtig lees) de taal met de werkelijkheid laten samenvallen. Maar omdat hij die werkelijkheid zo breed mogelijk wil opvatten, leidt dat tot iets grilligs, iets totaals, iets radicaals. Iets dat 'leeft'.

De poëzie in blijven & verreizen is tegelijk hyperpersoonlijk en extreem algemeen. Persoonlijk, omdat de opzet (één gedicht per dag) ertoe leidt dat de regels invallen blijven: elke dag zie je een klein, geconcentreerd deel van het dagelijks leven van de dichter. Algemeen, omdat de regels zelden over de dichter zelf gaan: zijn blik is naar buiten gericht. Het zijn observaties, ready mades, etc.

Het effect is opvallend genoeg dat de bundel leest als een reeks flikkeringen: de ruimtes tussen de verschillende, doorgaans korte, gedichten zijn stiltes, duisternissen, 'dode' momenten. Vervolgens komt dan het gedicht(je) dat Groenewegen die dag schreef, dat daar even uit oplicht. Een klein beetje werkelijkheid dat even omhoog wordt gehouden en dan weer verzinkt.

Het gegeven dat Groenewegen op het moment dat hij de bundel schreef stervende was, speelt mee in de interpretatie. De gedichten komen op me over als de signalen van een zinkend schip. De stem bevindt zich al in het gebied tussen zijn en niet-zijn.